RENTA & FEBIAC: Geen economische activiteit zonder mobiliteit

Opinion

Een nieuwe studie van het Federaal Planbureau moet aantonen dat auto’s van bedrijven - en ‘salariswagens’ in het bijzonder - een extra maatschappelijke kost meebrengen van meer dan 900 miljoen per jaar. Dit vooral omdat wie over een bedrijfsauto kan beschikken, meer kilometers rijdt, zowel om beroepsredenen als om privéredenen. Renta en FEBIAC achten het nodig hier extra duiding bij te geven en het kader te schetsen. Het beeld dat wordt gegeven is immers niet volledig.
Het Planbureau baseert zich op de BELDAM-enquête uit 2010. Sindsdien is er werk gemaakt van een volledig nieuwe fiscale omkadering van de auto’s van bedrijven, met onder andere een herberekening van het voordeel van alle aard (VAA) volgens catalogusprijs en CO2-uitstoot. Deze nieuwe fiscale behandeling heeft tot onmiddellijk effect gehad dat de auto’s van bedrijven vandaag zowel schoner als zuiniger zijn dan de gemiddelde nieuwe auto in België. En dus vanzelfsprekend veel schoner en zuiniger dan het gemiddelde wagenpark. Precies de snelle rotatie van firmawagens draagt bij tot een jong en steeds schoner en veiliger voertuigpark. Dat wordt niet zo gesteld in de studie omdat gebaseerd is op ouder cijfermateriaal.
Noteer daarbij dat het aantal salariswagens volgens de studie 383.000 stuks betreft, op een totaal van meer dan 5,6 miljoen auto’s in België. Dat is minder dan 7% van het totale park. Dit geeft een indruk van de omvang van mogelijke acties én hun effecten, om nog te zwijgen over het gegeven dat minstens driekwart van de gebruikers van een firmawagen bij ‘verlies’ daarvan onverwijld zou (moeten) overstappen op een eigen auto.
De groei van het Belgische wagenpark de voorbije 5 jaar bedroeg iets meer dan 200.000 auto’s. 180.000 daarvan waren privé-wagens (nieuwe en vooral tweedehandse); slechts 21.000 waren auto’s van bedrijven. De toenemende files en de kosten daarvan kunnen dus slechts in heel beperkte mate op het conto worden geschreven van de auto’s van bedrijven. Anders gesteld: de vernieuwing van het wagenpark wordt gedreven door bedrijfswagens; de groei van het wagenpark door privéwagens!
Wie over een auto van het bedrijf beschikt, rijdt meer. Zowel voor beroeps- als om vrijetijdsredenen. Voor professionele verplaatsingen heeft dat te maken met de jobinhoud zélf. Wie veel moet rijden voor het werk, geniet sneller een auto van het bedrijf. De ‘overconsumptie’ in de vrijetijd is net zo makkelijk te verklaren: welke auto wordt gekozen om ’s avonds een cinemaatje mee te pikken of om tijdens het weekend op bezoek te gaan bij oma? Vanzelfsprekend eerder de (grotere, comfortabelere, veiligere, zuinigere) auto van het bedrijf dan de privé-auto. Maar of dit automatisch impliceert dat daardoor globaal veel meer wordt gereden, is op zijn zachtst gesteld twijfelachtig en verdient een analyse die in de studie van het Planbureau niet te vinden is.
Het is trouwens een evidentie dat de vergelijking tussen mobiliteitsgebruik moet gemaakt worden tussen vergelijkbare groepen. Zo gaat het niet op om een (per definitie) actieve bevolkingsgroep mét firmawagen te vergelijken met een bevolkingsgroep zonder firmawagen waarbij zowel beroepsactieven als niet-beroepsactieven zitten. Beroepsactief zijn of niet heeft een enorme impact op de mobiliteitsconsumptie, denk alleen al aan de duizenden woon-werkkilometers die niet-beroepsactieven niet hebben!
Opmerkelijk trouwens hoe in de studie het feit dat gezinnen die een bedrijfsauto “kopen” (sic!!!) kiezen voor een groter en duurder model. Ook dat wordt negatief gepercipieerd. Dat lijkt ons dubbel fout: je koopt geen auto van het bedrijf: je gebruikt hem voor het werk en (in bepaalde gevallen) ook privé en betaalt daarvoor. En ten tweede: kiezen voor een waardevoller product draagt bij tot de economie én de fiscale inkomsten van de staat.
Firmawagens hebben vooral als voordeel om de koopkracht van gezinnen te verhogen. En ook dat heeft weer positieve effecten op onze economie. Maar het zet gezinnen inderdaad aan om sociaal actiever te zijn en dus meer mobiliteit te gebruiken.
FEBIAC herhaalt in dit kader haar pleidooi voor een slimme kilometerheffing. Deze zou de excessieve mobiliteitsconsumptie en deze in de spits temperen mits volwaardige alternatieven voorhanden zijn. Dat kan de maatschappelijke kosten van mobiliteit doen verminderen en de consument doen kiezen voor schonere voertuigen. Slim beprijzen als remedie tegen overconsumptie: vandaag kan dat al, maar het gebeurt nog niet.
Om die volwaardige alternatieven te promoten, staan FEBIAC en RENTA ook open voor een mobiliteitsbudget voor werknemers. Dat moet hun vervoerkeuze verruimen, zodat ze grotere vrijheid krijgen om de geschikte vervoerwijze(n) te gebruiken in functie van hun behoeften en aard van de verplaatsing. Maar het moge duidelijk zijn: meer dan driekwart van wie vandaag een auto van het bedrijf gebruikt voor professionele en privéverplaatsingen, zal dat ook nog doen na de invoering van de mobiliteitsbudget. De impact op onze mobiliteit beperkt zich tot een mogelijke daling van het wagenpark met minder dan 100.000 voertuigen op een totaal van 5,6 miljoen auto’s vandaag.
RENTA en FEBIAC betreuren dat eens te meer de bedrijfsauto wordt gezien als bron van alle kwaad en net zozeer dat dit uitmondt in niet constructieve en zelfs waardeloze retoriek van bepaalde politici.
CONTACT:
RENTA, de Belgische federatie van Voertuigen Verhuurders
Frank Van Gool, Algemeen Directeur - fvangool@renta.be - 0475 20 52 54
FEBIAC, de Belgische Automobiel- en Tweewielerfederatie
Joost Kaesemans, directeur Communicatie – jk@febiac.be – 0476 260 795